Er is een schilderij dat onvermijdelijk in gedachten komt bij het citeren van de evangelieparabel van de blinde die een andere blinde leidt, opgetekend door Lucas (VI,39) en Marcus (XV,14): het werk van Pieter Bruegel, bewaard in de Nationale Galerij van Capodimonte. De figuren van vijf mannen, die in één rij lopen en elk op hun voorganger leunen, doorkruisen van rechts naar links het lange rechthoekige doek (86 x 154 cm) van “De parabel van de blinden” en domineren de compositie. Een zesde man, de man aan het hoofd van de rij, uiterst links afgebeeld, is pas later te zien: hij is in een greppel gevallen en ligt daar met gestrekte handen. Degene die hem volgt, die de toeschouwer een onvergetelijke blik toewerpt van bollen die hun ogen hebben verloren, staat op het punt hetzelfde lot te ondergaan. Hij houdt een stok vast waarmee hij de derde in die rij begeleidt, zijn blik verloren in het niets, die, zich aan hem vastklampend, hem onvermijdelijk zal volgen in zijn val. De andere drie, ook duidelijk blind, zullen hetzelfde lot ondergaan; het is slechts een kwestie van een paar stappen en een paar momenten. Dit is een van de laatste schilderijen die Bruegel schilderde (hij voltooide het in 1568, een jaar voor zijn dood, toen hij in medio aetatis flore was) en een prachtig voorbeeld van zijn volwassenheid. De aandacht voor details die de jonge Bruegel had, en die van alle Vlaamse schilderkunst vóór hem, is nog steeds duidelijk, en zijn vermogen om het groteske van de menselijke figuur weer te geven, dat zelfs het grote publiek met Bosch associeert, blijft intact, maar het eerste en het laatste worden getemperd door een andere gevoeligheid.