Het was een militaire voorpost tijdens het late Romeinse Rijk, opgericht om de doorgang van mensen en goederen langs de rivier de Olona te controleren. Later werd het gebruikt als verdedigingsbastion door de Goten, die een ongeveer 18 meter hoge, grijze stenen donjon en verdedigingsmuren bouwden rond de 5e-6e eeuw. Het gebouw werd later bewoond door de Longobarden, die er een handelspost van maakten. Het werd een klooster rond de 8e eeuw en bood onderdak aan een groep benedictijnse nonnen, die aan het oorspronkelijke gebouw kamers voor cellen, een refter en een gebedsruimte toevoegden, evenals een portiek met drie bogen en een kleine kerk gewijd aan de Maagd Maria. In 1453 werd het klooster verlaten en in recentere tijden werd het hergebruikt als landelijke boerderij. Zo werd het hele gebouw aangepast aan de landbouwtaken: de portiek werd dichtgemetseld, de ingang van de kerk werd vergroot en omgebouwd tot een opslagplaats voor karren en gereedschap, en alle fresco's werden bedekt met nieuw pleisterwerk. In 1976 werd het gekocht door Giulia Maria Mozzoni Crespi, die het schonk aan de Fondo Ambiente Italiano, die het restaureerde.