Als men de stad van de martelaren verlaat en naar het noorden gaat, komt men na slechts 7 km bij de Turkse baai: de plaats waar in 1480 waarschijnlijk het Turkse leger aan land kwam, een paradijselijke hoek met Caribische kenmerken. Een dicht dennenbos, waartussen men zich via kleine, rudimentaire paadjes kan losmaken, begeleidt de bezoeker enkele minuten om hem vervolgens in vervoering te brengen voor het schouwspel: een inham die gekenmerkt wordt door een strook zeer wit, schoon zand en een vlakke zee met duizend schakeringen blauw. Het bijna vrije strand is een genot voor het oog en het lichaam, een uitgestrektheid van gouden korrels waarop men zich kan uitstrekken en de natuur kan bewonderen.