Bij de Garigliano rivier, die Latium van Campania scheidt, staan de resten van het antieke Minturnae. Het was een met de Samnieten geallieerde stad, die de kant van Rome koos en deel uitmaakte (met Pirae, het huidige Scauri) van de "Aurunca Pentapolis", die ook werd gevormd door Sinuessa, Suessa, Vescia en Ausona. In 314 v.Chr. werden Minturnae, Ausona en Vescia door de Romeinen verwoest. Na de aanleg van de Via Appia (Regina Viarum), in 312 bevolen door de censor Appius Claudius Blind, begon de stad weer op te komen. In 296 voor Christus werd ze opnieuw bevolkt met de inwijding van een Romeinse kolonie. Andere kolonisten kwamen later, in de tijd van Caesar en Augustus. Als belangrijk handelscentrum vervulde Minturnae (vooral in de keizertijd) de functie van controleur van de "rivierweg" (de oude Liris, tegenwoordig Garigliano) en de door Cicero genoemde pons Tirenus.De naam van de stad is misschien afgeleid van Me-nath-ur (prooi van het vuur) of van Minotaurus, een figuur uit de Griekse mythologie. In 88 voor Christus vond de consul Caius Marius zijn toevlucht in de moerassen van Minturnese, achtervolgd door de mannen van zijn rivaal Sulla. De magistraten lieten hem vermoorden door een Cimbriaanse slaaf. De leider wist aan de dood te ontsnappen na intimidatie van de Germanen. De inwoners hielpen vervolgens Caius Marius aan boord van Beleo's schip met bestemming Afrika. Een bronzen buste van de consul staat tegenwoordig in de burgemeesterskamer van het stadhuis.